Op 16 mei 1807 werd in Wenen Johann Nepomuk Hofzinser  geboren. Hij behaalde de titel van Doktor in de Filosofie en kwam in 1828 door zijn vriend Carl vonPospischii  in aanraking met de goochelkunst. Hofzinser was geen toneeIkunstenaar maar goochelde uitsluitend in kleine kring. Vooral in trucs met speelkaarten was hij zeer bedreven. Hij stierf op 11 maart 1875. Behalve een meester in de kaartenkunst was Hofzinser ook een genie in het uitdenken van nieuwe ideeën. De VOLTE, VALS SCHUDDEN, VALS COUPEREN, KLAPKAARTEN enz, zijn van hem afkomstig. Hij was zo "vol" van het goochelen dat hij wekenlang aan zijn apparaten zat te knutselen en te verbeteren. Zijn naam blijft, mede dank vele boeken, nog altijd voortleven.En kan hij meer geëerd worden, dan door het feit dat de hedendaagse goochelaars nog altijd zijn “kaartgrepen" in toepassing brengen? In het begin van de 19e eeuw leefde Ludwïg Leopold Döbler.    Hij genoot van zijn publiek een grote genegenheid. Wenen, de levendigste stad van Europa in die tijd, lag aan zijn voeten, want hij was jong, elegant en bijzonder vriendelijk. Zijn optreden en gebaren op het toneel waren even charmant en zijn demonstraties vertoonde een grote zelfverzekerdheid. Zelfs zijn moderne opvatting op het gebied van kleuren en de moderne vormgeving van zijn apparaten was toen al iets buitengewoons. Hij droeg zelf een zwart fluwelen rokkostuum met zeer nauwe broek, zijden kousen en schoenen met gespen. En zo werd Döbler mede door zijn klederdracht, waarin hij zich ongedwongen bewoog, voor de Weners en vooral voor de Weense dames het symbool van verleiding. Er kwamen spoedig Döbier-dassen, Döbler-koeken, Döbler-tabak etc. En heden ten dage is nog steeds een straat in Wenen naar hem genoemd, de "Döbler Gasse ". In 1841 trad Döbler in Londen in het St James theater op. Hij had daar zo'n succes dat hij naar het kasteel “Windsor”  ontboden werd, waar hij zijn voorstelling voor koningin Victoria gaf. Deze was al even enthousiast als alle vrouwen. In 1831 liet Goethe, Döbler naar Weimar komen om zijn neef te onderwijzen in de geheimen van de goochelkunst. De grote dichter, die toen al meer dan 80 jaar was, vermaakte zich bijzonder met de misleidingen van zijn gast en zelfs zo, dat hij in zijn familiealbum schreef: "Döbler, die op 5 october 1801 in Wenen geboren werd, vergaarde met zijn voorstellingen een behoorlijk vermogen. Zodoende kon hij zich met 47 jaar van het toneel terugtrekken. Hij stierf op 17 april 1864 op zijn prachtig  “bezit” in Türnitz. Er waren in die tijd trouwens meerdere beroemde goochelaars, zoals o. a. Charlier, de uitvinder van de Char lier- volte. Stephany, Anderson, Samuel Berlach, Bellachini, George Cooke, Maskelyne en Devant, enz. enz. Op 23 juli 1839 werd in Londen Prof. Hoffmann geboren. In werkelïjkheid heette hij Angelo Lewïs. Oorspronkelijk was hij meester in de rechten. In 1861 begon hij goocheltrucjes te verklaren in een kindertijdschrift. Hoffmann die zelf een bijzonder knap goochelaar was,, ging boeken schrijven over de goochelkunst, welke heden ten dage nog als de beste boeken beschouwd worden. Zijn boek Modern Magie, beleefde een oplage van 26000 stuks en werd ook in het Russisch vertaald.  Zijn boeken Modern Magie (1874), More Magie (1890), Later Magie (1904) en Latest Magie (1918), werden ook in het Duits vertaald. Met de vertalingen van de boeken van Robert Houdin, welke in de oorspronkelijke taal (Frans) door de beperkte oplage bijna niet te verkrijgen waren, heeft Hoffmann zich bijzonder verdienstelijk gemaakt. In totaal heeft Hoffmann 30 boeken geschreven, welke  verzameling na zijn dood op 28 december 1919, werd overgenomen door Stanley Col Iins. Op 18 november 1847 werd in Caluïre et Cuire, bij Lyon in Frankrijk, Buatier de Kolta geboren. Joseph Buatier zou na de hogere school oorspronkelijk Priester worden. Toen hij 21 jaar was verliet hij echter de priesterschool om zich aan de schilderkunst te wijden. Omdat zijn gave daarvoor veel te kort schoot, besloot hij zijn weg op het toneel te zoeken. In 1 867 trok hij naar Italië, maar kwam in 1869 teleurgesteld weer naar Lyon terug Daar begon hij te samen met zijn vriend Elie  Laurent weer met de schilderkunst. Enige tijd later kwam er een toneelgroep in Lyon waarbij hij in contact kwam met een zekere Julius Vides. Buatier, die het reizen en trekken in het bloed zat, sloot zich bij deze groep aan en vertrok opnieuw, via Zwitserland naar Italië". Op 17 april 1873 schreef hij aan zijn vriend Laurent dat het toneel leven hem erg zwaar viel. “Ik heb geheel Italië gezien, iedere stad, groot en klein. Ik vertoon 20 trucs in 2 1/2 uur, zonder apparaten, in iedere voorstelling voeg ik er nieuwe trucs aan toe. Ik heb voor de eerste keer een vogelkooi laten verdwijnen, welke echter mislukte. Gelukkig hebben de toeschouwers daar niets van gezien”. Toen Italië in 1874 twee jaar door een tyfus epidemie werd getroffen, moest de groep noodgedwongen het land verlaten. Da Kolta vertrok naar Brussel en trad daar op in het Melliére theater. In 1875 ging hij naar Londen en trad daar op in de beroemde Egyptian Hall, onder de naam Dr. da Kolta. In 1882 trad hij op in Hamburg, München en Dresden. Daarna trok hij naar Oostenrijk. In 1884 was hij in het Parijse Cirque d´ Eté. Op 25 december 1886 was hij opnieuw \n de Londense Egyptian Hall en vertoonde voor het eerst zijn zwarte kabinet. Buatier heeft zich op allerlei gebied van de goochelkunst bekwaamd en had veIe nieuwe uitvindingen gedaan. Zijn bewegingen waren ongedwongen en natuurlijk, zijn trucs bijzonder goed doordacht. Om enkele van zijn uitvindingen te noemen, trucs die heden ten dage nog door vele goochelaars worden vertoond, het produceren van grote vlaggen. De klapbloemen, die hij in 1873 heeft uitgedacht, het bloemenscherm. Het verschijnen van een glazen kubus uit twee doeken. De kaartenwaterval, het verkleinende kaartspel, geldvang en de halve schaal voor de billardbal routine en niet te vergeten de nu nog beroemde Da Kolta koker !  Tot slot van dit beknopte overzicht van de geschiedenis, voor de totale geschiedenis zouden vele dikke boekdelen nodig zijn, volgt hier nog een beschrijving van Larette, die vooral voor Nederland veel baanbrekend werk heeft verricht. Volgens de burgerlijke stand heette hij Cornelus Hauer. Hij was een zoon van een welgestelde burgerfamilie die in de tweede Weense gemeente Stadsdeel in Leopoldstadt, een banketbakkerij hadden. Zijn ouders zonden hem naar Berlijn waar hij fotochemie moest studeren. Maar met de studie werd het niets en voelde hij meer voor toneelkunstenaar. Het beslissende keerpunt kwam toen hij kennismaakte met Harry Steffins, wiens goochelkunst hij zeer bewonderde. Wat was nu logischer voor hem dan dat hij spoedig naar de weg van het Mekka van alle Duitse magiërs zocht. Hij kwam terecht bij Conradi-Horster. Toen Horster de jonge man spoedig op bijna virtuose wijze met kaarten en ballen zag manipuleren, geraakte hij buiten zichzelf en overreedde hem de fotochemie helemaal vaarwel te zeggen en zich geheel als beroep aan het goochelen te wijden. Hoewel de jonge Larette daar bijzonder enthousiast over was, waren ervoor hem toch bezwaren. Ten eerste hoe moest hij dat tegenover zijn ouders verantwoorden en ten tweede wat kon hij van zijn zakgeld aan trucs besteden. Het tweede probleem was spoedig opgelost. Horster was een goede zakenman, maar wanneer het te pas kwam was hij een idealist. Toen hij Larette als een vertegenwoordiger van de magische kunst zag, gooide hij al Ie zakelijke belangen overboord en gaf de nieuw opkomende ster alles wat hij wenste te bezitten. Horster liet zich dan ook niet kennen en waren de apparaten en hulpmiddelen op fluweel gelegd, zorgvuldig verpakt in schitterende koffers. Onder Horsters en Steffins leiding werd een programma ingestudeerd en werd spoedig een beeldschone assistente gevonden. Al spoedig vertrok Hauer, die nu de naam Larette had aangemeten, voor zijn eerste optreden naar Cairo. Larette's eerste optreden baarde veel opzien. Gedurende meer dan een half uur wisselden apparatentrucs en handbehendigheden elkaar af, waarbij vooral de laatste veel bijval kregen. Op een keer kwam er echter voor hem een catastrofe, die hem dwong zijn magie op een nieuwe, voor die dagen onbekende basis te brengen. Zijn assistente gïng er plotseling vandoor en zonder haar hulp was het onmogelijk met de vele apparaten te werken.  De directie was zeer teleurgesteld, want Larette was de ster van de avond. Larette liet het er echter niet bij zitten en in enkele uren had hij het programma zodanig gewijzigd dat de nadruk uitsluitend gelegd werd op het manipuleren met kaarten en ballen. Het succes was zo bijzonder groot, dat hij inde toekomst deze wijze van goochelen trouw bleef. Ondertussen had hij twee bezorgde ouders die van de kunstuitingen van hun zoon geen idee hadden. Op hun brieven werd niet geantwoord en daarom besloot moeder Hauer maar eens naar Berlijn te gaan. Daar moest Harry Steffins haar de waarheid wel vertellen. Toen zijn moeder één van zijn voorstellingen had bijgewoond en merkte hoeveel succes haar zoon had, was ze erg trots op hem. Zijn vader was het er niet mee eens, maar op aandringen van zijn vrouw moest ook hij spoedig toegeven. De naam Larette sloeg eveneens goed aan en al spoedig was hij de bekendste en meest geliefde goochelaar. In de eerste wereldoorlog kwam hij in Russische krijgsgevangenis, toen hij daar met een fronttheater rondtrok. Spoedig wist hij te ontsnappen en trok hij van dorp tot dorp en gaf hij zich uit voor waarzegger en handlezer. Hoewel hij daar geen enkel verstand van had, wist hij zich daarmee toch in zijn onderhoud te voorzien. Larette had bovendien een bijzondere gave in het spreken van vreemde talen. Deze kennis stelde hem in staat om spoedig uit Rusland te vluchten. Tijdens zijn reis door Rusland ontmoette hij een vriend, voor wie hij alles, zelfs het laatste zou hebben gegeven, een jonge raaf. Hij zag hoe kinderen het arme dier, dat bovendien nog hinkte, voor een wagentje gespannen hadden en het sloegen om het te bewegen het wagentje te trekken. Larette was boos en verjoeg de kinderen en nam het dier bij zich. Het dier had een gebroken vleugel en een gebroken poot. Hij verzorgde het dier met veel liefde en de vogel vergoedde hem dat door een grote aanhankelijkheid te tonen. Toen Larette in Wenen aankwam was de raaf spoedig de grote sensatie. Een spel kaarten die Larette hem toewierp, ving hij op. Tien ingestudeerde kaarten kende de vogel precies, zodat Larette één van deze kaarten gedwongen liet kiezen en deze met de andere kaarten op tafel uitspreidde. De raaf wist de gekozen kaart dan ook direct uit het spel te vinden. Larette, die de vogel Jacob had genoemd, was bij de dood van zijn lieveling dan ook ontroostbaar. Larette had altijd een zwak voor Holland en wanneer hij maar even gelegenheid had probeerde hij daar een contract te krijgen. Het was dan ook geen wonder dat hij begin 1930 in Amsterdam ging wonen. Hij begon een winkel voor goochel benodigdheden, verbonden met een agentuur. Daarnaast bleef hij overal in het land optreden. Hij goochelde vaak voor de Koninklijke familie en mocht zich door zijn buitengewone prestaties "Koninklijke hofgoochelaar " noemen. De zaken gingen goed en het duurde niet lang of het winkeltje groeide uit tot een echte goochelstudio, waar men niet alleen goocheltrucs en apparaten kon kopen, maar waar men ook privé lessen kon krijgen. Het was eigenlijk de eerste goochelstudio in Nederland en sinds d\e tijd nam de belangstelling voor het goochelen enorm toe. Vele grote goochelaars bewaren dan ook nog steeds de prettigste herinneringen aan deze grote man in de goochelkunst. Gedurende een gastoptreden 'm Scheveningen vertoonde zich de eerste verschijnselen van een ernstige ziekte bij Larette. Hij werd mede door zijn ziekte geheel doof. Met ongelooflijke wilskracht leerde hij de woorden van de mensen van de lippen te lezen, zodat niemand merkte dat hij het gesproken woord helemaal niet hoorde. Hij wilde ook geen gehoorapparaat dragen en trad niettegenstaande zijn volledige doofheid voor het publiek op. Gedurende de Duitse invasie in Holland was het luisteren naar buitenlandse zenders verboden. Larette wiens woning aan de straatzijde lag, schakelde op een dag de Engelse zender in en vergat het raam te sluiten. Door zijn doofheid liet hij de radio zo hard staan dat het op straat duidelijk te horen was. Plotseling werd er gebeld en stonden twee Gestapo's buiten en Larette moest mee naar de commandant van de Gestapo. Aan zijn jonge vrouw, die er bij kwam en hem vroeg wat hij van plan was, zei hij dat hij het wel wist. “Die krijgen mij niet”, dat waren zijn laatste woorden. Niets vermoedend van hetgeen hij ging doen, verwijderde hij zich en in de achterkamer klonk een schot. Larette was dood !   Beknopt overzicht van de geschiedenis van de Goochelkunst (vervolg) Made with Magic Shop Victoria Web Designer