Reeds in de oudheid stond het "wonderlijke" in het middelpunt van de belangstelling. Godsdienst en tovenarij gingen samen. Priesters bewaarden hun
geheimen zorgvuldig en omgaven hun magische handelingen met een geheimzinnig ritueel en ceremoniën.
De mensen haakten slechts naar wonderen en het wonderbaarlijke van de schone schepselen in de natuur. Men schiep in de verbeelding
samengestelde gedrochten zoals, Sphinxen, draken, eenhoorns, Pheniien, enz.
Men geloofde aan verschijningen en dromen. Ten tijde van de apostel Petrus leefde in de stad Samaria een tovenaar Simon, ook naar de oude orde
van de Perzische wijzen Somin Magus genoemd. Zijn aanhangers werden Simonïaners en ook wel Adrianisten genoemd.
Het is een onbetwistbaar feit dat het geloof aan toverij tot in de oudste oudheid terug gaat. Niet alleen vindt men er melding van in de Hebreeuwse
geschriften, maar men vindt ook afbeeldingen daarvan in de Hieroglyphen van Hindostan, bij de Chinezen, in het Sanskrit van de Braminen, in het
Javaans, Maleis en andere talen.
In de oude Noorse mythelogie komt Odin voor als de God van de tovenaars, die ook wei Waldawut genoemd werd, afgeleid van het Slavische woord
Waidet (weten).
Onder zijn grafschrift staat Zirnitra (tovenaar).
Zo hadden de Groenlanders hun Angekoks en illisertsaks. Op de Caraibische eilanden noemden men de tovenaars Playen. In zuid Azië waren er
manlijke en vrouwelijke Schamans, alsmede Telengutische, Sajanische en Alabardische wijzen.
In Afrika had iedere staat zijn tovenaars, o. a. de Gangans en de Fetischirers.
Ook in Europa waren er tovenaars, wonderdokters, Sycophanten en de zogenaamde “Slijmgasten”.
Het waren voornamelijk de Grieken die de Magie naar Egypte brachten en in vroeger eeuwen was het toveren dan ook een bijzondere kunst van de
Egyptische wijzen.
Deze tovenaars, in het Hebreeuws “Mecasshefijn”, stonden in zeer hoog aanzien.
De Egyptenaren verdeelden de tovenarij in "weldadige" (Theurgie) en "boosaardige" (Goetische), of de zogenaamde zwarte kunst (Goetic).
Via Rome werd de magie over andere Europese landen
verbreid. De geleerde Albertus Ma nus bouwde de eerste
robot, een mechanische mens die zich bewegen kon.
Toen zijn leerling dit wonderwerk zag, werd hij door angst
bevangen en sloeg met een knuppel het kunstwerk, waaraan
ruim 30 jaar was gewerkt, in elkaar. Magnus werd door zijn
geheimzinnigheid verdacht in verbinding met de duivel te
staan. Hij verzekerde o. a. dat, wanneer men de wortel van
de Mandragora plant bij een som geld in een kist sloot, men
later het geld verdubbeld vond. Deed men echter
onrechtmatig verkregen geld in de kist, dan veranderden de
geldstukken in schijven citroen.
In Ierland en vooral in de hooglanden van Schotland is het
geloof aan toverij nog zeer algemeen. De toegeschreven
eigenschappen hebben veel overeenkomst met de Elven
(Alven) van de Noorse volken. De zogenaamde tovergeesten
waren buitengewoon kleine schepseltjes, gewoonlijk gekleed
in groene of rode scharlakense muts op het hoofd en
gewikkeld in spinrag. Om die reden werd het rode
vingerhoedskruid, de tovenaarsmuts en ook wel de
roodmannetjes genoemd. Zij bezochten 's nachts de
boerderijen waar ze de haard schoonmaakte, een pot met
water klaar zette, enz. Van deze verhalen stammen ook onze
kabouters.
De Med. Dr. Arnoldus Fretagius schreef aan een zekere Ortelius een gebeurtenis uit Hameien (in de 14e eeuw), dat muizen daar bij duizenden in de
straten en huizen verschenen. Een zekere tovenaar (Guychelaar staat in de brief) meldde zich bij de burgerij om hen van deze plaag te verlossen. De
tovenaar nam een trom en begon daarop te slaan (in het tegenwoordige verhaal wordt verteld dat hij een fluit bespeelde).
De muizen volgden hem tot buiten de stad. Toen hij echter om zijn bedongen loon kwam, werd hem dat geweigerd. Een jaar later kwam hij in Hameien
terug en kreeg hij een hele groep kinderen achter zich. Enfin, U kent het verhaal. In de brief werd verder nog vermeld dat de straat "de Bungeloese
straat" genoemd werd, waarin het niet geoorloofd is, "den trom te roeren".
Het moet een merkwaardige duivelbanner, of misschien de duivel zelf geweest zijn om zijn wraakneming op de onschuldige kinderen te nemen.
Een veel kluchtiger tovenaar was de vermaarde Dr. Faust. Hij betoverde op Vastenavond (begin 16e eeuw) een gebraden kalfskop, welke bij het
aansnijden riep: "Och heer, wat doet gij mij zeer !"
De tovenaar ridder Pinetti, die een dergelijke grap gebruikte, stopte in de bek van het hete gebraad een levende kikker. Het akelig gekwaak moest dan
het bulken van de kalf verbeelden.
Er waren in de 16 e eeuw al goochelaars, die hun trucs met de grootste geheimzinnigheid moesten vertonen. Hoewel zij niet tot de bedriegers en
charlatans behoorden, moesten zij toch voor de "heksenwaan" oppassen. Zo was er in 1585 een zekere Augustus Lerchheimer die met zijn
zogenaamde "Gauckelsack" regelmatig op het marktplein van Heidelberg te vinden was.
Het zou echter nog wel een eeuw duren, voor er werkelijk baanbrekers op het gebied van de goochelkunst op de voorgrond zouden treden.
In 1551 verscheen van de Engelsman Scott een boek waar in hij verschillende geheimen verklaard om de onschuld van de zogenaamde zwarte kunst
te bewijzen.
Het grote publiek bleef echter zeer wantrouwend. Het geloof was zo diep ingeworteld, dat voor die tijd moderne uitvindingen - zoals kunstmatige
werktuigen - als hekserij werden beschouwd. Ook de vindingrijke Fransman Daguer behoefde zich met zijn "Daguenrotype" (eerste fotoafdrukken) niet
in het publiek te wagen, want ook hij stond in verbinding met de duivel.
Ondanks de brandstapel is de magie onder het volk blijven voortleven en zien we verschillende wetenschappen uit de magie zich ontwikkelen.
Uit de Alchemie kwam de Chemie, uit de astrologie, de astronomie. De toverkruiden maakte plaats voor de moderne medicijnen. Zo zien we in de
gehele geschiedenis dat de goochelkunst de techniek steeds jaren vooruit is.
Professor Josef Pinetti (1750-1800) maakte gebruik van een Electro- magneet, lang voor de wetenschap de elektriciteit wist te benutten.
Door bijzondere constructies van spiegels wisten goochelaars geesten op het toneel te laten verschijnen. Later kwam de uitvinding van de Camera
Obscura, terwijl de Latcrna Magïca (tover lantaarn) de oorsprong is geweest van de moderne projectie.
Op jaarmarkten en kermissen verschenen de Gauckiers, Taschenspielers en Esca-moteurs. Ze droegen meestal lange pijen en puntmutsen op het
hoofd en met verbazing volgden de toeschouwers het vingervlugge spel met de bekers en ballen.
De geheimzinnigheid werd verhoogd door de orakel taal die zij bezigden. Deze orakeltaal bestond meestal uit een mengelmoes van dialecten en
Kerklatijn. De spreuk "Hocus Pocus" afgeleid van "Hoc est Corpus" (Domini) ging vooraf.
Om het middel droegen zij een riem waaraan een tas (Gaukeltasche, ook wel "Sack der Consten" genoemd), gevuld met attributen.
Kiezentrekkers en heelmeesters "lokten" hun patiënten door het vertonen van goochelkunsten.
Ook het "misleiden" speelde toen al net zo´n belangrijke rol als nu de afleiding die wij "Misdirection" noemen.
Van al Ie zinnen wordt het gezicht het meest gebruikt en is In wakende toestand werkzaam, hetzij bewust of onbewust. Het is dan ook niet te
verwonderen dat gesloten of geblinddoekte ogen gemakkelijk misleid kunnen worden.
Het is onmogelijk om met gesloten ogen nauwkeurig een plaats aan te wijzen, vanwaar een
bepaald geluid komt. Gaat men achter een persoon staan en brengt men het geluid voort
boven zijn hoofd, dan zal de persoon nu eens rechts, dan weer links wijzen.
Om aan te tonen hoe gemakkelijk het oog misleid kan worden zijn verschillende figuren
vervaardigd, die oppervlakkig beschouwd geheel anders lijken dan ze werkelijk zijn.
Bekijkt U bijvoorbeeld naar de tekening (man op paard). In welke richting rijdt de man, naar U
toe, of van U af ?
Dat hangt geheel af van Uw innerlijke instelling. Ziet U de trap van boven of van onderen? Op
dezelfde wijze kunnen we het gevoel misleiden.
Neem bijvoorbeeld eens een rond kogeltje. Leg de linker middelvinger over de wijsvinger,
zodanig dat beide vingers elkaar in schuine richting kruisen. Vervolgens betast U tegelijkertijd
met beide vingertoppen het kogeltje, zonder er naar te kijken. U voelt niet één, maar twee
kogeltjes.
Eén van de oudste trucs is wel het kaart- en het bekerspel. Er bestaan ontelbare schilderijen
en gravures waarop het bekerspel wordt afgebeeld. We kennen allen het beroemde schilderij
van Jaroen Bosch (1480). Er zijn gravures uit 1400, waarop reeds het kaartspel werd
uitgebeeld. De gemeente Turnhout wordt beschouwd als de moederstad van de speelkaarten.
In een reglement dat op 23 november 1533 door de magistraat van Turnhout werd
uitgevaardigd in verband met de voogdij over minderjarige kinderen, werd vastgesteld dat zij
de schulden niet hoefden te betalen die hun beschermelingen op dobbelscholen of elders met
quaertspelen gemaakt zouden hebben. Aldus het Oud Keurboek in het stadsarchief van
Turnhout, van oudsher moederstad van het duivelse prentenboek. Een Chinese encyclopedie
uit 1678 beweert dat de speelkaarten in 1120 aan het hof van Keizer S'eun Ho zijn
uitgevonden. Het diende als amusement voor de verveling. Waarschijnlijk waren de
speelkaarten oorspronkelijk bedoeld als dominospel, terwijl het ook wel als wettig betaalmiddel
werd gebruikt. Zij die interesse voor de speelkaarten hebben, wil ik hier even wijzen op het
boekje "Speelkaarten" van Han Janssen, (in elke boekhandel verkrijgbaar. Uitgave van C. A. J.
van Dishoeck - Bussum. )
Ook in het boek van Scott "Discovcryof Witchcraft" , uitgegeven in 1584 werden reeds principes met speelkaarten verklaard.
Het eerste echte goochelboek wordt toegeschreven aan Samuel Rowlands. Dit boek had de titel: "The Art of Jugling or Legerdemaine". Uitgegeven in
Londen in 1614.
In 1634 verscheen een met houtsneden voorzien boek, getiteld: "Hocus Pocus Junior". Dit boek werd later in het Duits vertaald en in Hamburg in 1667
uitgegeven.
Het eerste tijdschrift is vermoedelijk in 1791 uitgegeven in Engeland. De naam was: "The Conjuror's Magazine or Magical and Physiognomical Mirror".
In dit maandblad stonden voornamelijk artikelen over de astrologie, metalurgie, het leven van wonderwerkers, etc. In de eerste jaargang werd ook de
nieuwe wetenschap van Lavater's Essays on Physiognomie (gelaatskunde) beschreven.
Later kwamen meer de verklaringen van mentaIe effecten, zoals o. a. een gedachten machine, mentale truc met een tabaksdoos, een instrument om
door een kartonnen wand te kijken. De eerste kaarttruc in dit blad was een effect waarbij een kaart uit de hand van de goochelaar van plaats verwisselt
met een kaart uit de hand van een toeschouwer.
Het eerste Nederlandse goochelboek wordt toegeschreven aan Simon Wïtgeest, "Natuurlijk toverboek of het nieuw toneel der Konsten" (1679).
Voor de liefhebbers van oude literatuur zij hier opgemerkt, dat het boek van Simon Witgeest opnieuw is uitgegeven in 1967 door de uitgeverij A. W.
Sijthof te Leiden, (in de boekhandel te verkrijgen, eventueel te bestellen.)
Een ander Nederlands goochelboek verscheen in 1713 in Amsterdam. Het was geschreven door Bernardus Maurik, "Het Toneel der
TasschenspeeIders en Goochelaars of het groottoneel van Behendigheden".
De meest wonderlijke figuur uit de 18 e eeuw was de Duitse goochelaar Johannes Briggs. Deze had geen benen en slechts één hand. Ondanks deze
handicap was hij een meester in het vertonen van het bekerspel. Hij vertoonde dit op een verhoging, zittend achter de tafel. Met de handloze arm
keerde en kantelde hij de bekers, terwijl hij met de hand de diverse "grepen" uitvoerde.
Op 18 februari 1694 werd in Altaussee, Joseph Fröhlich geboren. Als molenbouwer trok hij door Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Vooral de
jaarmarkten trokken hem bijzonder aan en zo kwam het dat hij bij het bezoeken van zo'n jaarmarkt in aanraking kwam met de dochter van een
marktkoopman. Hij werd verliefd en haar vader gaf toestemming dat Joseph bij hem kon blijven om mede de kost te verdienen als "hansworst".
Hij leerde tevens het kïezen trekken en goochelen. Door een zenuwziekte moest hij enkele jaren later in het plaatsje Ulm achterblijven, terwijl zijn a. s.
schoonvader met zijn dochter verder trokken. In militaire dienst leerde Fröhlich toen een zekere Reïtzenstein kennen die een verwoed amateur
goochelaar was. Van hem leerde hij toen de “fijnere” kneepjes van de goochelkunst en zo groeide bij Fröhlich de handigheid in het goochelen. Later
werd hij bij Georg Wilhelm hofgoochelaar.
Later trad hij ook op aan het hof van de koningin van Polen, de koningin van Saksen, bij koningin Sophie en voor de prinsen Johann en Adolph von
Weissenfels.
Als hofnar en goochelaar diende hij ongeveer 30 jaar lang twee koningen. Op 27 juni 1757 stierf hij op 63 jarige leeftijd. Op een Saksische hof- en
staatskalender van 1731 bevindt zich een ets met als onderschrift: Joseph Fröhl ich hof-taschenspïeler. Deze ets bevindt zich in het museum
Neurenberg te Dresden.
Het was ook in die tijd dat de pseudotelepathie populair werd. De pseudotelepathie stamt uit de tijd van de zogenaamde "cryptografie" (later
stenografie).
De cryptografie was een geheimschrift waarbij bepaalde tekens gebruikt werden, die alleen aan ingewijden bekend waren. Het werd ook toegepast om
anderen bepaalde gedachten mede te delen. Hiervan kwam ook de "gebarentaal". De eerste verklaringen van deze geheimtaal vinden we in 1563 in
het boek “De furtivis I ïterarum notïs vulgo de Zïferes libri”.
De Engelse bisschop John Wïlkïns heeft ïn 1641 in Londen een boek doen uitgeven: "Mercury or the secret and swift messenger, showïng how a man
may wïth privacy and spead communicatie hïs thoughts to a frïend at any dïstance", waarin hij verschillende vereenvoudigde woorden, tekens en
signalen verklaardde, dïe gebruikt werden o. a. om een gehele zin ïn één enkel woord of teken samen te vatten. Verder schreef hij een gebarentaal om
met bepaalde tekens een assistent bepaalde gegevens te verstrekken.
Het was omstreeks 1722 dat in Londen de eerste officiële zaak in goochel apparaten werd geopend door Henry Dean.
In 1760 kwam van de firma Hamley Bros een echte catalogus uit voor goochelartikelen. In het begin 1800 kwamen de eerste Amerikaanse goochel
shops.
In 1894 begon Hor ster een goochel studio in Duitsland. In 1900 vestigde hij zich in Berlijn en gebruikte de naam van zijn vrouw F.W. Conradï-Horster.
Horster werd op 15 januari 1870 in Crossen geboren als zoon van een postbeambte. Hij bezocht in Dresden de school en maakte als 9-jarïge jongen
kennis met de geheimen van de goochelkunst.
Het was door de vrouwlijke goochelaar Amanda Lilge Oeser, die onder de naam Armïda optrad. Oorspronkelijk bleef de jonge Horster amateur en werd
hij later vertegenwoordiger aan een warenhuis te Hamburg. Als hij bij de "afnemers" kwam, demonstreerde hij enige goocheltrucjes.
Op een goede dag liet de goochelaar Celar Menïer een voorstelling voor een vereniging verstek gaan en werd aan Horster gevraagd hiervoor in de
plaats op te treden. Het succes gaf hem zoveel moed, dat hij meerdere malen in het openbaar ging optreden.
Toen in 1890 door cholera de zaken in Hamburg slecht gingen, begon hij als bijverdienste, kleine goochelapparaatjes te verkopen. Spoedig daarna
begon hij als compagnon in een zaak in yoochel-artikelen, onder de naam Borgwig-Horster.
Tevens begon hij schriftelijke lessen voor de goochelkunst te schrijven.
In 1894 begon hij zijn zelf geschreven goochelboeken uit te geven. Zijn talrijke boeken behoren tot de allerbeste vakliteratuur van de gehele wereld.
Zijn vakblad "Der Zau-berspiegel" die van 1895 tot 1907, en daarna weer na de eerste wereldoorlog uitkwam, heeft tot 1926 een goede weerklank
gevonden.
Toen zijn naam alom bekend was, ging hij naar Berlijn. Als goochelaar bleef hij regelmatig optreden en stond hij naast CarI WiIImann als één van de
grootste goochelaars uit die tijd bekend.
Toen hij op 30 augustus 1944 overleed, betekende dat voor de Duitse goochelaars een bijzonder groot verlies.
Zelfs de goocheldozen waren er reeds in de 19e eeuw.
De vroegste goocheIdoos vinden we terug bij Goethe, die op 2 november 1830 aan Marianne van Willemer schreef, dat hij aan haar 10-jarige zoon
een toverdoos wilde geven. In deze doos bevond zich onder andere een bekerspel. Een andere goocheldoos stamt volgens de zich daarop
bevindende decoratie uit 1850. Deze doos die in Parijs bewaard wordt, is niet meer geheel compleet, doch de daarin bevindende apparaatjes zijn o. a.
grootmoeders rozenkrans (de truc met de kralen), het koordje aan twee stokjes, een magneet dobbelsteen en het popje dat onder een cape verdwijnt.
voor vervolg druk op Volgende
Beknopt overzicht van de geschiedenis van de Goochelkunst
Made with magic victoria Web Designer
Made with Magic Shop Victoria Web Designer